Geschiedenis
Eén munt, drie namen
De gouden 20 frank, even vaak geschreven als 20 francs, is misschien wel de meest vertrouwde beleggingsmunt van Europa. Zwitsers, Frans of Belgisch: onder welke naam u hem ook kent, achter elke variant schuilt een stuk zuiver goud met een rijke monetaire geschiedenis.
Drie landen sloegen dezelfde munt, en dat is geen toeval. In 1865 richtten Frankrijk, België, Italië en Zwitserland de Latijnse Muntunie op. Ze spraken één norm af voor hun gouden munten: 6,45 gram totaalgewicht, 90% goud, 21 millimeter doorsnede. Een Belgische 20 frank betaalde daardoor even vlot in Parijs of Genève als thuis. Griekenland sloot in 1868 aan, en later volgden nog landen die dezelfde standaard overnamen.
Geslagen werd er in de nationale munthuizen: de Monnaie de Paris voor de Franse stukken, de Koninklijke Munt van België in Brussel voor de Belgische, en de Eidgenössische Münzstätte in Bern voor de Zwitserse. Samen beslaan de jaargangen ruim anderhalve eeuw, van 1803 tot 1949.
De Zwitserse Vreneli, de 20 francs uit Bern, werd vanaf 1897 geslagen en draagt het gezicht van “Verena”, de personificatie van Zwitserland, tegen de achtergrond van de Alpen. Met meer dan 58 miljoen geslagen exemplaren is ze de meest verspreide Zwitserse gouden munt ooit. Zeldzame jaargangen zoals 1904, 1905, 1906 en 1926 kunnen een hogere numismatische waarde hebben.
De Franse Napoleon, in Frankrijk simpelweg de 20 francs genoemd, gaat terug tot 1803 en droeg meer dan een eeuw lang het portret van de regerende heerser. Meer dan 340 miljoen exemplaren werden geslagen, wat hem tot een van de meest geslagen gouden munten ter wereld maakt.
De Belgische Leopold II, ook bekend als de “Belgische Louis” of de 20 francs België, werd geslagen vanaf 1867 en speelde een sleutelrol in de Belgische economie. Het randschrift “Dieu Protège la Belgique” maakt hem tot een tastbaar stukje Belgisch erfgoed.
Wat deze drie munten uniek maakt: in 1865 werden ze onderling uitwisselbaar verklaard binnen de Latijnse Muntunie, een “euro avant la lettre” waarbij Frankrijk, België, Zwitserland en Italië hun gouden munten standaardiseerden.