Van Ruilhandel naar Munten
Lang voor er geld bestond, ruilden mensen gewoon goederen: een zak graan voor een paar schoenen, een schaap voor een bijl. Dat werkt, tot u schoenen wil maar de schoenmaker geen graan nodig heeft. Ruilhandel botst telkens op datzelfde probleem: beide partijen moeten precies willen wat de ander aanbiedt.
De oplossing was een tussenstap die iedereen aanvaardde. Al snel bleken edelmetalen daar ideaal voor: ze zijn schaars, gaan niet kapot en zijn makkelijk in stukken te verdelen. Rond de zevende eeuw voor Christus sloeg het rijk Lydië, in het huidige Turkije, de eerste echte munten uit een goud-zilverlegering. Geld zoals wij het kennen was geboren.
De geschiedenis van geld in één oogopslag
- Prehistorie
Ruilhandel
Goederen tegen goederen. Werkt, maar beide partijen moeten precies willen wat de ander heeft.
- ± 650 v.Chr.
De eerste munten
Lydië slaat munten uit een goud-zilverlegering. Gewicht en gehalte bepalen de waarde.
- 17e eeuw
Briefjes als bonnetje
Goud gaat in bewaring bij goudsmeden; het ontvangstbewijs wordt zelf betaalmiddel.
- 1944
Bretton Woods
De dollar wordt de spil van het wereldgeldstelsel, gekoppeld aan een vaste goudprijs.
- 1971
Loskoppeling
Nixon beëindigt de inwisselbaarheid van dollars voor goud. Het bonnetje verliest zijn dekking.
- Vandaag
Fiatgeld
Geld steunt op vertrouwen en wetgeving. Goud blijft de onafhankelijke vaste waarde ernaast.
Goud en Zilver als Eerste Geld
Eeuwenlang was het geld het edelmetaal zelf. Een gouden of zilveren munt was precies zoveel waard als het metaal dat erin zat. Van de Romeinse aureus tot de Spaanse goudreaal: wie een munt op zak had, droeg letterlijk zijn vermogen mee. Het gewicht en het gehalte bepaalden de waarde, en heersers lieten hun beeltenis erop slaan als waarborg.
Dat systeem had één praktisch nadeel: goud is zwaar en een groot vermogen meesjouwen is onhandig en gevaarlijk. Daar kwam de volgende uitvinding uit voort.
De Goudstandaard: Briefjes als Bonnetje
Handelaars begonnen hun goud in bewaring te geven bij goudsmeden en banken, en kregen daarvoor een ontvangstbewijs. Zo'n briefje was makkelijker te vervoeren dan het goud zelf, en al snel betaalden mensen elkaar gewoon met die briefjes. Het papiergeld was in feite een bonnetje: een belofte dat er ergens een vaste hoeveelheid goud voor u klaarlag.
Zo ontstond de goudstandaard. De waarde van een munt was wettelijk gekoppeld aan goud, en u kon uw biljet in principe altijd inruilen voor het edelmetaal. Dat hield overheden in toom: je kon niet zomaar geld bijdrukken zonder het goud om het te dekken. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit wereldwijd geregeld via het akkoord van Bretton Woods, met de Amerikaanse dollar als spil, gekoppeld aan een vaste goudprijs.
1971: Geld zonder Goud
Het systeem kraakte toen er meer dollars in omloop waren dan er goud tegenover stond. In 1971 maakte de Amerikaanse president Nixon een einde aan de inwisselbaarheid van de dollar voor goud. Vanaf dat moment was geld niet langer gedekt door edelmetaal.
Sindsdien leven we in een wereld van fiatgeld: geld heeft waarde omdat de overheid het als wettig betaalmiddel aanvaardt en omdat wij er samen op vertrouwen, niet omdat er goud in een kluis ligt. Handig en flexibel, maar het betekent ook dat er in principe onbeperkt geld kan worden bijgemaakt, wat op lange termijn tot inflatie leidt.
Precies omdat modern geld niet meer door goud gedekt is, zien velen goud nog altijd als een baken van vaste waarde. Waarom goud die rol al duizenden jaren speelt, leest u in waarom goud een vaste waarde is.
Goud Vandaag
Goud is dus geen betaalmiddel meer, maar het bleef wat het altijd was: een schaarse, onvergankelijke, wereldwijd erkende vorm van waarde. Centrale banken houden er nog steeds grote voorraden van aan, en veel gezinnen bewaren goud in de vorm van juwelen, munten of baren. Wilt u zulke stukken verzilveren, dan kunt u ze bij De Munter verkopen op locatie, tegen de actuele goudprijs.